Skip to Content

Opiniestukken

Vlaanderen stelt zichzelf met het Pact2020 ambitieuze doelstellingen voor een duurzame mobiliteit. Tegen 2020 moet 40% van de woon-werkverplaatsingen duurzaam gebeuren. Dat wil zeggen te voet, met de fiets of met collectief vervoer. Ook het aantal verkeersongevallen moet drastisch omlaag.

Van de achterbankgeneratie …

De achterbankgeneratie dreigt echter een stok in het wiel te steken. Omwille van de verkeersdrukte brengen de ouders hun kroost liever met de auto naar de opvang, school of jeugdvereniging. Zelfstandig en actief deelnemen aan het verkeer is er voor heel wat kinderen niet meer bij. Voor hen lijkt het openbaar vervoer een ingewikkelde puzzel en is een fiets geen vervoermiddel, maar iets voor tijdens de vrije tijd. Op de achterbank leren ze niet omgaan met het steeds drukkere verkeer en het is dus niet verwonderlijk dat jonge autobestuurders oververtegenwoordigd zijn in de ongevallenstatistieken.

De achterbankgeneratie heeft zo een neerwaartse spiraal veroorzaakt. Het verkeer wordt steeds drukker, de spitsuren worden extra belast door ouders die taxichauffeur spelen voor hun kinderen (meer dan 10% van onze verplaatsingen gebeurt om iemand anders te vervoeren[1]). Daarnaast maken beginnende bestuurders, die amper leerden hoe zich te gedragen in het verkeer, de straten onveilig. Hierdoor is het voor ouders nog een stuk moeilijker geworden om hun kinderen zelfstandig op weg te sturen en snoeren ze hun hartendief dan maar veilig in. Op de achterbank.

Studies[2] tonen aan dat de autonomie en actieradius van jonge kinderen enorm ingekrompen is sinds het begin van de jaren ‘70. In 1971 ging in het Verenigd Koninkrijk 80% van de kinderen van 7 en 8 jaar oud naar school zonder begeleiding van een volwassene, in 1990 was dat nog maar 9%. Deze trend wordt slechts gedeeltelijk verklaard wordt door een toegenomen woon-schoolafstand.

… naar de bakfietsgeneratie

Er wordt volop gewerkt aan het realiseren van een trendbreuk. De overheid levert inspanningen om het verkeer meer kindvriendelijk te maken. De verplichte zone 30 in schoolomgevingen en het inrichten van autovrije of autoluwe stadscentra zijn daar voorbeelden van. Verkeerseducatie werd opgenomen in de eindtermen, zowel van het basis- als van het secundair onderwijs.

Toch zijn het nog steeds de ouders die een sleutelrol vervullen. Ouders die bewuster met de auto omspringen zullen die gewoonte doorgeven aan hun kinderen. Uit een enquête[3] die Komimo bij 200 gezinnen uitvoerde blijkt dat daar soms het schoentje knelt. Veel ouders kiezen pas voor een duurzaam alternatief als ze niet over een (tweede) wagen beschikken of wanneer de bestemming over onvoldoende parkeermogelijkheden beschikt.

Meer dan de helft van de gezinnen beschikt over een bushalte op wandelafstand die bediend wordt door een bruikbare buslijn. Toch laat maar een op tien van de ouders hun kinderen toe om dagelijks zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Amper 1% van de ouders vergezelt frequent zijn kroost op bus of tram om ze aan te leren zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen.

De fiets is heel wat populairder als vervoermiddel: ongeveer de helft van de ouders kiest resoluut voor de fiets en meer dan 90% gebruikt de fiets nu en dan. De jongste kinderen worden in een fietsstoeltje of fietskar op hun bestemming gebracht. Als de kinderen wat ouder zijn, fietsen ze met begeleiding van hun ouders en eenmaal de ouders er voldoende vertrouwen in hebben, mogen de kinderen zelfstandig fietsen.

Met de Aardig-op-weg-week roepen minister Crevits en Komimo ouders op om hun kinderen de kans te geven om actiever en zelfstandiger deel te nemen aan het verkeer. Want jong geleerd is oud gedaan, ook in het verkeer.

 

Dit artikel verscheen in Mediaplanet, bijlage bij De Standaard van 22 september 2010.

 


[1]Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.1 (2008-2009), W. Miermans, 2010

[2]Vervoersafhankelijkheid en vervoersautonomie van kinderen (10-13 jaar), Onderzoekscentrum Kind & Samenleving, Mobiel 21 vzw, Universiteit Hasselt, Provinciale Hogeschool Limburg, 2007

[3]Mobiliteit en gezinnen, Komimo, 2010.




In het artikel "Voetgangers steeds beter beschermd bij aanrijding" van 02/06/10 staat het volgende te lezen: “Zo heeft de BMW een speciale motorkap die omhoog gaat wanneer er een voetganger of fietser op knalt bij een aanrijding”. Elke automobilist heeft er ongetwijfeld last van, vooral in de lente: naast lastige insecten die je voorruit komen bevuilen, zijn er fietsers en voetgangers die zo nu en dan tegen je auto opknallen.

 

Ondertussen vindt iedereen het doodnormaal dat verkeersongevallen passief omschreven worden: de voetganger of fietser werd in de flank gegrepen, opgeschept of weggeslingerd, of sterker nog “kwam onder de wielen terecht”. Nooit grijpt, schept of slingert een voertuig de voetganger of fietser (laat staan dat de bestuurder ervan iemand zou overrijden). Met dit persbericht gaat Touring nog een stukje verder: nu is het de fietser of voetganger die actief op de auto “knalt”. Gelukkig zijn de constructeurs zo goedhartig om daar rekening mee te houden…

 

In het persbericht wordt ook een nieuwe term ingevoerd: de “externe zwakke weggebruiker”. Dat doet je afvragen: wie is dan de interne zwakke weggebruiker? Beschouwt de automobielvereniging nu ook chauffeurs als zwakke weggebruikers of verwijzen ze hiermee naar de kinderen in de wagen? Of kun je een interne zwakke weggebruiker externaliseren, als die zijn gordel niet aanheeft? Persoonlijk krijg ik de kriebels van de term ‘zwakke weggebruiker’. Verkeersfilosoof Kris Peeters spreekt liever over ‘verzwakte weggebruikers’ (ten opzichte van de automobilisten). Uiteindelijk zijn we allemaal weggebruikers die dezelfde rechten en plichten hebben, de ene is gewoon wat zachter dan de andere en daar gaat een speciale ‘actieve’ motorkap niets aan veranderen.

 

De berichtgeving op de Euro NCAP-site is stukken objectiever: hier is geen sprake van een voetganger die tegen een auto gaat opknallen, hij wordt nog (passief) aangereden. Uit de cijfers merk je ook meteen dat die bescherming maar relatief is ten opzichte van de inzittenden in de auto. En toch kan ook hier het sensibiliseren van de automobilist stukken beter: in plaats van een percentage ‘bescherming’ zou het aangeven van de kans op zware verwondingen of overlijden van voetgangers bij verschillende snelheden bestuurders beter responsabiliseren. Steeds betere bescherming voor de inzittenden en een schijnveiligheid voor de “externe zwakke weggebruiker” geeft een automobilist vrijgeleide om niet meer stil te staan bij de gevolgen van zijn of haar rijgedrag.