OVG 4.1: verplaatsingen
- Van A naar B |
- OVG 4.1 |
- OVG
De Vlaming verplaatst zich gemiddeld 2,84 keer per dag.
Dat is (significant) minder dan het vorige OVG (OVG3 2007-2008), toen verplaatsten we ons nog 3,14 keer per dag. De oorzaak zou de financiële en economische crisis kunnen zijn, maar misschien leunt 2,84 verplaatsingen per dag gewoon dichter aan bij de werkelijkheid (zoals ook vastgesteld in OVG1 (2,7) en OVG2 (2,8)). Een wetmatigheid uit de verkeerskunde, de BREVER-wet (wet behoud van reistijd en verplaatsingen) stelt dat het aantal verplaatsingen tot (ongeveer) 3 per dag beperkt is en de tijd besteed aan het verplaatsen beperkt is tot 90 minuten. Natuurlijk zijn er mensen die zich vaker en langer gaan verplaatsen, maar voor de volledige populatie (ouderen gaan zich minder verplaatsen) is deze wet van toepassing.
De gemiddelde afstand per verplaatsing is 13,497 km.
Modal split verplaatsingen
De modal split van het aantal verplaatsingen toont aan de auto het dominante vervoermiddel is.

In deze grafiek wordt enkel rekening gehouden met het hoofdvervoermiddel van een verplaatsing, waardoor typische voor- of natransportmodi (te voet, met de fiets of de bus) onderschat worden.
Meer dan 2/3 van de verplaatsingen gebeuren per auto. 3/4 van die verplaatsingen gebeurt als bestuurder, 1/4 als passagier. Het aandeel autobestuurder stijgt significant ten opzichte van het OVG3, een mogelijke verklaring zou de afname van de gemiddelde brandstofprijs kunnen zijn.
Verplaatsingsmotieven
We onderscheiden volgende verplaatsingsmotieven: functionele verplaatsingen (woon-werk, zakelijk, woon-school), winkelverplaatsingen (inclusief diensten), recreatieve verplaatsingen (iemand een bezoek brengen, ontspanning, sport, cultuur, toeren) en iemand/iets halen of brengen.

Ten opzichte van OVG3 boet recreatief verkeer iets aan belang in. Daar zit de economische crisis misschien opnieuw voor iets tussen. De drie belangrijkste motieven zijn met allemaal ongeveer 30% ongeveer even belangrijk. Mobiliteit is dus veel meer dan woon-werkverkeer alleen.
Het verplaatsingsmotief “iemand/iets halen/brengen” haalt een aandeel van iets meer dan 10%. In het Nederlandse Mobiliteitsonderzoek bestaat deze categorie zelfs niet. Willy Miermans wijst er op dat dit laatste een zware indicator is voor de kwaliteit van onze ruimtelijke ordening en verkeerssysteem. Velen (kinderen, ouderen, of “minder mobielen” in het algemeen) moeten rekenen op de hulp van anderen om ergens te komen: ze zijn “vervoer-afhankelijk”.
- login of registreer om te reageren
-
